Eethuis Dede

in vaders voetspoor

Het is half 12 ’s ochtends als Muslum Kotuz zijn eethuis Dede aan de Voorstreek binnenstapt.

Een werkdag van minimaal twaalf uren ligt voor hem. Zes dagen in de week. Werken en thuis – verder heeft hij nergens tijd voor. Niet voor sport, niet voor een sociaal leven. Boven hem suist de stilte: de drie bovenverdiepingen staan al jaren leeg, zoals bij meer winkelpanden aan de Voorstreek. Prima, vindt de Turks-Koerdische ondernemer, want de vloeren en plafonds zijn dun. Nu heeft hij nooit last van voetstappen boven zijn hoofd of harde muziek.

De Turkse muziek schalt door de zaak als Kotuz (33) de sla snijdt en een grote homp kipdoner aan het spit rijgt. Een kop koffie wordt gezet. De baklava in de vitrine. De bakjes voor de patatjes kapsalon staan in het gelid. De dag kan beginnen.

Met eethuis Dede komt een droom uit. In 2009 verliet Kotuz, oudste zoon van zeven kinderen, zijn geboortestad Suruc aan de Turks-Syrische grens. Hij liet een omvangrijke familie achter van pak ‘m beet 500 personen. Of hij ze mist? Jawel, natuurlijk, een beetje, nou eigenlijk niet heel erg. Het is zo lekker rustig in Leeuwarden, in Nederland. Neem zijn moeder, die inmiddels 52 is (ze trouwde met zijn vader toen ze 16 was) – zij heeft in een week tijd maar liefst twee bruiloften. ,,Ik heb er de afgelopen acht jaar denk ik maar een stuk of drie gehad.’’ Heerlijk.

Het eethuis opende hij na vijf jaar in fabrieken in Leeuwarden en Heerenveen te hebben gewerkt. Muslum zat in de rozijnen, in de shoarma, in de chocolade en in het plastic. Hij werd hoorndol van het eentonige werk. Elke dag zag er hetzelfde uit – dezelfde mensen, dezelfde grappen. Vrij wilde hij zijn – eigen baas. Dus waagde hij de sprong, maakte een ronde door Leeuwarden, op zoek naar een geschikte ruimte om een eethuis te openen. Die vond hij, tegen een betaalbare huur, aan de Voorstreek. Huurbaas Piet Siderius is een prima kerel – bemoeit zich niet met je, maar komt wel vlug als er wat gerepareerd moet worden. Fijn.

Het is hard werken, dat wel. Maar Kotuz kan niet anders. Thuis zitten bij vrouw en kinderen  in Heechterp-Schieringen kan hij niet. Hij moet wat doen. Dat zit hem in het bloed. Zijn vader werkte ook altijd hard, als tussenpersoon voor de detailhandel. Zo hard, dat de kleine Muslum bij zijn grootouders opgroeide. Lieve, vrome mensen waren dat. Net als hij diepgelovig. Niet roken, geen alcohol en je strikt houden aan de ramadan. Een sterke man zijn. Dat vindt Kotuz belangrijk. Elke vrijdag gaat de zaak even dicht zodat hij naar de moskee kan. Bidden doet hij achter in de zaak, bij de snijkeuken, waar ook een hoekje voor de baby is ingericht. Hij doet dat niet uit plichtsbesef, maar omdat hij er blij van wordt. Geloof zit in je hart, zegt hij en slaat zich op zijn borst.

Het eethuisje noemde hij naar zijn geliefde opa: Dede. Die overleed toen Kotuz nog maar net in Nederland was. Even valt de praatgrage ondernemer stil. Even lachen zijn ogen niet.

Zijn familie, zeker zijn moeder, hoopt dat hij ooit terugkeert naar Turkije. Maar Kotuz denkt van niet. Het bevalt hem, in Nederland, met zijn Marokkaanse vrouw van Berber-afkomst, met hun pasgeboren dochtertje dat blauwe ogen heeft. Zijn moeder kwam kort na de bevalling met zijn jongste zus op bezoek, maar zijn vader heeft zijn kleindochter nog nooit gezien. Het moest er komende winter maar eens van komen. Terug naar huis. Vakantie, voor een week of twee.

Kotuz droomt ervan om ook tussenpersoon voor de detailhandel te worden. Hij gaat proberen om iets minder hard te werken en tijd vrij te maken voor zijn dochtertje en voor een studie detailhandel. Dan wil hij vlees en plastic bakjes, koffie en broodjes bij groothandels inkopen en aan ondernemers doorverkopen. Zo hoopt hij uiteindelijk alsnog in de voetsporen van zijn vader te treden, al is het in een ander werelddeel.