de Faam

De Pyama-dynastie

De Faam met pyjama’s, kleurig ondergoed en ‘heerlijke huiskleding in diverse uitvoeringen’ in de etalage, bestaat vanaf 1890.

Hans Anne de Boer (77): ,,Misschien kun je ons inderdaad een dynastie noemen. Maar we hebben het 125-jarig bestaan niet groot gevierd. Even uit eten om het te vieren, vind ik zat.’’

Het zijn kalme, gestage krachten, de mannen van De Faam. Kijk hoe ze dozen openvouwen, T-shirts op de toonbank uitleggen, zonder aarzeling de passende boxer pakken, of het juiste anti-transpiratie-shirt voor bruidegommen. Derde lichting Hans Anne over zijn zonen die nu samen in de zaak zitten: ,,Ik heb nooit geen pressie uitgeoefend. Ze kwamen er zelf mee.’’

In 1953 verhuisde de zaak van De Tuinen naar de Voorstreek. De foto’s van de feestelijke opening hangen achterin de winkel. Het beeld is zwart-wit. Op de toonbanken staan bloemstukken, het assortiment ligt keurig te kijk.

Waar de toonbank van Faam-grondlegger en voorvader Hans Anne is gebleven? Achterkleinzoon Egbert, die samen met zijn broer Bram de winkel drijft: ,,In de kelder. Die kan er nooit meer uit.’’

Het assortiment in de zaak is modern en eigenlijk ook weer niet. De Faam handelt in klassiekers. Neem de hemden, bescheiden types, geen aandachttrekkers. Ze zijn zo stilletjes dat je bijna zou denken dat je zonder kunt. Maar vlak ze niet uit.

Hans Anne: ,,Dan komen de mensen hier binnen en zeggen ze: Dokter heeft gezegd: Ik moet lang dragen op de huid. En dan horen we: Ik wil niet zo’n lang hemd want dan prrrrrrrropt het zo op.’’ 

Heldere stem: ,,Ik zeg altijd: Nooit bij de broek instoppen want dat kleedt niet mooi. Altijd over je onderbroek heen dragen. T-shirts ook. Altijd over je short heen. Anders krijg je een dikke bult. Zo voeden wij de mensen op. En dan hoor je later: Leuk dat u het gezegd hebt, het bevalt uitstekend.’’

Nu hangt de winkel vol met hip, kleurig ondergoed maar rond 1900 lagen er maar twee modellen onderbroeken in de winkel. Hans Anne: ,,Alleen kort en lang. Een variant voor mannen en eentje voor vrouwen. En altijd wit he.’’

Maar de moderne mens wil bewegingsvrijheid. De herenslips van vroeger zijn vervangen door boxershorts. Hans Anne: ,,Die trekken niet op in de lies. Moet je eens kijken wat een kleine broekjes, zou mijn grootvader zeggen.’’

De lange onderbroeken van weleer?

,,We verkopen er ongeveer honderd per jaar. Maar dat komt omdat hier op de klei in het Noorden haast geen winkel meer zit die ze nog heeft.”

,,Vrouwen kopen ze wel, en ook akkerbouwers hoor, of stratenmakers of schilders, of vrachtwagenchauffeurs die in de winter veel moeten laden en lossen. Of zuinige mensen, die de verwarming wat lager zetten en het toch warm willen hebben.”

Vroeger waren ze  van gemoltoneerd katoen, ruimtevreters in de kast. Als je ze droeg leek je dikker, knikt De Boer, en als ze vuil waren kon je ze rechtop neerzetten. Nu zijn ze gebreid. ,,Gewoon tricot. We hebben soms nog wel eens vraag naar die oude gemoltoneerde onderbroeken, maar die mensen moet je ompraten naar een moderne vezel. Het kan niet meer, en ze zijn er niet meer.’’

Zijn favoriet?

Twinkelende ogen: ,,Het pyamagedeelte is echt mijn ding. Pyama’s, ochtendjassen, ik vind het nog steeds een leuk artikel om in te kopen.”

,,Vroeger, lang geleden hoor, belden klanten soms zelfs op zondag. Nabestaanden van mensen die overleden waren. Dan moest er een nieuwe pyjama mee de kist in. Dan kwamen de dochters meestal een pyjama uitzoeken. ‘Hij hield van blauw’, zeiden ze bijvoorbeeld en dan namen ze een blauwe mee. Altijd flanelpyjama’s. Die verkopen we nog steeds, de flanellen Robson-pyama. Die werd vaak gebruikt voor die eh gevallen.’’

Een korte hoest: ,,Dus dat zijn klassiekers. Flanellen pyjama’s zijn voor mensen die een knoopsluiting voor willen. Tricot gaat altijd over het hoofd heen.”

Waarom mensen vroeger in hun pyjama de kist in gingen? ,,Ik denk dat het met slapen, en ogen dicht, dus dan maar een pyjama te maken heeft.’’ En meestal kwamen de overleden Faam-klanten terecht in een kist van Evert Boonstra, van de lijkkistenfabriek uit de Minnemastraat.

Hans Anne: ,,We kenden elkaar al vanaf mijn derde jaar. Onze ouders waren bevriend met elkaar. Wat we daar wel niet gedaan hebben. Wij speelden verstoppertje in de kisten. En we hielpen mee, we poetsten de kisten voor ze afgeleverd werden. Later reed ik wel met Evert in de lijkwagen over de Nieuwestad en dan had hij zo’n spreektoeter en dan riep hij: Ook u komt hier achterin te liggen hoor. Hij had een heel grote klantenkring hier. Vooral in Leeuwarden en Noord-Friesland.”

,,Een keer heb ik meegemaakt dat ik naar een begrafenis ging van iemand die in een pyjama van ons lag. Dat was apart. Gelukkig was het een kennis, het kwam niet te dichtbij. Dan kan je er weer wat neutraler naar kijken.”

,,We verkopen altijd blauw he? Hier in Friesland is altijd alles blauw. Ik dacht wel eens ja, mensen neem eens wat risico. Nu nog steeds hoor. Spijkerbroekenblauw of donkerblauw, maar het blijft blauw.”

,,Mijn vader was vooruitstrevend. Die nam er groen en knaloranje bij. Heel apart. Je zou ze nu niet meer kunnen verkopen. Het sprong ineens van wit naar knal. Ertussenin was niks. Dat was tussen 1960 en 1970. Maar het is langzamerhand toch weer wat rustiger geworden.’’

De achterdeur gaat open. Een jongen passeert de toonbank. Hans Anne trots: ,,Dat is Stan, mijn kleinzoon. Die doet hier graag zijn huiswerk.’’ Tegen Stan: ,,Hoi Stan, ga je weg? Nou succes morgen!’’

De winkelbel tingelt zoals die al vier generaties tingelt. Onverstoorbaar. Bescheiden.